Modalverben | Präsens

Duits lijn2

Doen
Modale hulpwerkwoorden

Modale hulpwerkwoorden (Modalverben) zijn hulpwerkwoorden die extra betekenis aan het hoofdwerkwoord toevoegen.
Voorbeelden van modale hulpwerkwoorden in het Nederlands zijn zullen, kunnen, mogen, moeten, willen.

Als je bijvoorbeeld zegt: ‘Petra kan zwemmen’, zeg je eigenlijk dat Petra in staat is om te zwemmen (ze verdrinkt niet in water). Dat heeft natuurlijk een hele andere betekenis dan ‘Petra zwemt’, een zin zonder modaal hulpwerkwoord.

Hopelijk begrijp je nu wat modale hulpwerkwoorden zijn en wat ze doen.
In het Duits zijn er ook modale hulpwerkwoorden (Modalverben): können, dürfen, wollen, müssen, mögen, sollen en wissen.

Een overzicht van de vervoeging van alle Modalverben vind je hier.

Een filmpje met uitleg over de Modalverben:

moeten = müssen of sollen; dat hangt af van de zin:

A als iets niet anders kan, of “het is logisch dat”: müssen

Dat moet Hans geweest zijn – Das muss Hans gewesen sein.
De straat moest afgezet worden. – Die Straße musste abgesperrt werden.

B bij een (dringend advies): müssen

Dat moet je niet allemaal geloven. – Das musst du nicht alles glauben!
Je moet nu gaan. – Du musst jetzt gehen.

C als je twijfelt, jezelf iets afvraagt: sollen

Wat moet ik doen? – Was soll ich machen?
Ik weet niet of ik er naar toe moet gaan. – Ich weiß nicht, ob ich hinfahren soll.
Moet ik dat nu meteen betalen? – Soll ich das sofort bezahlen?

D in een persoonlijk bevel: sollen

Jij moet je mond houden! – Du sollst den Mund halten!

Duits lijn2

doenOefeningen:

  1. Invuloefening: können.
  2. Kies de juiste vorm van dürfen.
  3. Welk Modalverb gebruik je?.
  4. Wissen, dürfen, können, müssen: vul de juiste vorm in.
  5. Müssen of sollen?
  6. Vul de juiste vorm in van het werkwoord.
  7. Welk Modalverb gebruik je in de zin?
  8. Kies de juiste werkwoordsvorm.
  9. Kies het juiste antwoord.
  10. Kies de goede vorm.
  11. Vul de juiste vorm in.

Duits lijn2

 

Oefeningen:Snappen

  1. Beantwoord de vragen.
  2. Zoek de fouten.
  3. Vul het goede werkwoord in.
  4. Welke betekenis heeft het Modalverb in de zin?
  5. Welk Modalverb gebruik je in de zin?
  6. Lees het verhaaltje en vul de juiste vormen van de Modalverben in.